Bedrijfsmiddelen zijn hulpmiddelen die u gebruikt in uw bedrijf en die niet bedoeld zijn voor de verkoop. U heeft bedrijfsmiddelen nodig om uw producten te maken of uw diensten te leveren. Voorbeelden van bedrijfsmiddelen zijn:
Meestal mag u de kosten die u maakt voor uw bedrijf meteen aftrekken van uw omzet. Maar als u een bedrijfsmiddel van € 450 of meer koopt, mag u niet alle kosten in één keer in het jaar van aanschaf aftrekken. Omdat een bedrijfsmiddel een aantal jaren meegaat. Zoals een auto of een machine.
In plaats daarvan moet u het bedrijfsmiddel afschrijven. U spreidt de kosten dan over de jaren waarin u het bedrijfsmiddel gebruikt. Elk jaar trekt u een deel van de kosten af in uw aangifte inkomstenbelasting of aangifte vennootschapsbelasting.
Koopt u een bedrijfsmiddel voor minder dan € 450? Dan trekt u de kosten wel in één keer af van uw omzet. U hoeft het bedrijfsmiddel dan niet af te schrijven.
Voor de maximale jaarlijkse afschrijving geldt meestal een percentage van de aanschafkosten van het bedrijfsmiddel:
Er zijn verschillende manieren om investeringen af te schrijven. Vraag uw boekhouder of accountant welke manier voor uw bedrijf het meeste belastingvoordeel oplevert.
Dit heeft u nodig:
De formule:
U trekt de restwaarde van de aanschafkosten af. Daarna deelt u dit bedrag door de verwachte levensduur. Het resultaat is de afschrijving per jaar.
Voorbeeld:
Aanschaf camera: € 3000
Verwachte levensduur: 5 jaar
Restwaarde: € 500
Rekensom: € 3000 aanschafkosten minus € 500 restwaarde = € 2500. € 2500 gedeeld door 5 is € 500 afschrijving per jaar.
Let op: u mag per jaar maximaal 20% van de aanschafkosten afschrijven.
De meestgebruikte methode is de lineaire methode. U schrijft dan per jaar een vast gedeelte af van het verschil tussen de aanschafkosten en de restwaarde.
De formule is:
Afschrijfkosten per jaar = (aanschafkosten - restwaarde) ÷ te verwachten levensduur.
Gebruikt u het bedrijfsmiddel pas later in het jaar voor het eerst? Bijvoorbeeld vanaf 1 oktober? Dan mag u dat jaar afschrijven voor die maanden van het jaar dat u het gebruikt. In het voorbeeld is dat: oktober, november en december.
Gebruik dan deze formule:
Afschrijfkosten per jaar × 3 ÷ 12.
Dit is het bedrag dat u heeft betaald voor uw bedrijfsmiddel. U mag de kosten van bijvoorbeeld de notaris en installatie ook meerekenen. Eventuele kortingen of subsidies haalt u hiervan af. Ook als u die pas later ontvangt. Het maakt daarbij niet uit of het bedrijfsmiddel nieuw of tweedehands is.
Voor de te verwachten levensduur neemt u normaal gesproken het aantal jaar tot het bedrijfsmiddel niet meer werkt: technische levensduur. U mag zelf inschatten hoelang het zal duren tot het bedrijfsmiddel niet meer werkt.
Maar sommige bedrijfsmiddelen zijn al eerder verouderd. Ook al werken ze nog wel. Ze zijn verouderd in vergelijking met wat er op dat moment in de winkel te koop is. Zoals een mobiele telefoon. Dan mag u ervoor kiezen om te rekenen met het aantal jaar tot het bedrijfsmiddel verouderd zal zijn. Dit is de economische levensduur. U mag zelf inschatten hoeveel jaar het duurt tot het bedrijfsmiddel verouderd is.
Gaat het bedrijfsmiddel toch eerder kapot dan u had ingeschat? Dan moet u de waarde die nog niet is afgeschreven in één keer afschrijven, als boekverlies. Als u reparatiekosten heeft gemaakt, neemt u die niet mee in de afschrijving. Dit zijn gewone zakelijke kosten die u kunt aftrekken van de omzet.
Of ontdekt u dat het bedrijfsmiddel toch eerder verouderd zal zijn dan u had ingeschat? Dan past u de termijnen voor de komende jaren aan. Let er daarbij weer op dat de nieuwe jaarbedragen niet uitkomen boven 20% van de aanschafkosten. De oude termijnen hoeft u niet alsnog aan te passen.
Heeft u een tweedehands bedrijfsmiddel gekocht? Dat heeft meestal een kortere levensduur. Maar ook dan mag u maar maximaal 20% van de aanschafkosten afschrijven per jaar. Ook al houdt het er waarschijnlijk al na 2 jaar mee op.
Restwaarde is de waarde die uw bedrijfsmiddel waarschijnlijk nog heeft als u het niet meer voor uw onderneming gebruikt. U mag deze waarde zelf inschatten. Bijvoorbeeld door u voor te stellen wat het op dat moment nog zou opleveren als u het zou verkopen. Het kan zijn dat het bedrijfsmiddel na de levensduur geen restwaarde meer heeft. De restwaarde is dan 0. Verkoopt u het bedrijfsmiddel na verloop van de levensduur en brengt het meer of juist minder op dan de waarde die u had geschat? Dan geeft u het verschil op als winst of als verlies in uw aangifte.
Kunt u zelf niet inschatten wat de restwaarde van het bedrijfsmiddel zal zijn? Overleg dan met de fabrikant van het bedrijfsmiddel.
Aanschafkosten
Stel u koopt een laptop van € 2.200. Dat zijn de aanschafkosten.
Te verwachten levensduur
Over 3 jaar is uw laptop verouderd. De te verwachten levensduur van uw laptop is dus 3 jaar.
Restwaarde
Een laptop van 3 jaar oud is verouderd. U schat de restwaarde van uw laptop in op € 100.
Maximale afschrijving
U mag per jaar maximaal 20% van de aanschafprijs afschrijven. Voor uw laptop is dat 0,20 × € 2.200 = € 440.
Berekening afschrijving
(€ 2.200 - € 100) ÷ 3 = € 700 per jaar
Maar er geldt in dit geval een maximum van € 440, dus dat wordt het jaarlijkse bedrag van afschrijven.
Boekverlies
Na 3 jaar heeft de laptop een balanswaarde van € 100. Verkoopt u de laptop op dat moment voor € 75 euro? Dan geeft u € 25 als boekverlies op uw aangifte bij de buitengewone lasten. Verkoopt u de laptop voor € 225? Dan geeft u een boekwinst op van € 125.
Deel van het jaar in gebruik
Koopt of gebruikt u de laptop op 1 oktober? Dan mag u dat jaar alleen 3 ÷ 12 × € 440 = € 110 afschrijven.